De polyvagaal theorie van Porges
10 oktober 2019

De polyvagaal theorie van Porges

Je bent 7 jaar. Niemand krijgt echt grip op je en jij al helemaal niet op jezelf. Van het ene op het andere moment val je weg, ongeacht wat je aan het doen bent. Als je aan het spelen bent op het schoolplein, aan het werk bent in de klas of thuis aan tafel tijdens het eten of zittend voor de tv op de bank. Dan staar je glazig de wereld in, lijk je niets meer te horen of te zien. Soms gaat dit gepaard met hyperventilatie. Als je ‘vertrokken’ bent, blijf je zitten, staan of liggen, net hoe je aan het doen was. Je ogen wijd opengesperd, starend in het niets. Geen spiertje beweegt. Alsof acuut de stekker eruit getrokken wordt, op onbewust niveau.

Als je je niet veilig voelt, heb je geen verbinding: niet met jezelf en niet met je omgeving. Een lijf dat vecht, vlucht of in een diepere laag figuurlijk bevriest, kan alleen maar ‘voelen’. Het kind (of de jongere) dat bolstaat van de stress aanspreken op zijn gedrag, of vragen of het zelf een oplossing heeft, is niet effectief. Wat op zo’n moment tegen het kind gezegd wordt, komt toch niet binnen. Verbinding win je terug door aan te raken, aangeraakt te worden of door te bewegen. Zo breng je het lijf terug naar de basis waar de inprenting van veiligheid ontstaat door te ‘voelen’.

In mijn werk kom ik veel in aanraking met zorgteams. Op scholen en in instellingen. Ib ers, coaches, ambulant begeleiders, orthopedagogen en psychologen houden zich daar bezig met de zorg rondom het kind of de jongere met niet begrepen of niet gewenst gedrag. Mij valt het op hoe snel er wordt toegewerkt ‘naar het praten over’ en ‘het zelf zoeken naar een oplossing voor het probleem’. Een manier van werken die meestal niet werkt. Waarom niet? Men vergeet dat er eerst sprake moet zijn van het gevoel van veiligheid bij het kind of de jongere (en zijn ouders). In dit geval bedoel ik niet de veiligheid die ontstaat doordat er structuur is of omdat iedereen te maken heeft met dezelfde regels en zich daaraan moet houden. Ik doel ook niet op het gevoel van emotionele veiligheid. Het gevoel van veiligheid dat ontstaat doordat het kind wordt gerustgesteld, zich gehoord voelt en (h)erkent. Deze vormen van veiligheid zijn wel nodig maar is niet die vorm die je in eerste instantie nodig hebt om een verandering bij het kind te bewerkstelligen. Daarvoor heb je het gevoel van fysieke veiligheid nodig. Dat is veiligheid die je moet voelen. In je lijf, in je brein, in alles wat van jou is.

De polyvagaal-theorie

Hoe dit werkt wordt heel mooi uitgelegd door Stephen Porges, psychiater, neurofysioloog en directeur van het Brain Body Center aan de universiteit van Illinois (VS). Hij bedacht de polyvagaal theorie. De polyvagaal-theorie geeft inzicht in dat wat er met mensen gebeurt in geval van verstoring van de veiligheid. In deze theorie is een grote rol weggelegd voor de nervus vagus, de tiende hersenzenuw met zijn vertakkingen. Vandaar de aanduiding ‘polyvagaal’.

De gangbare manier van denken is dat het vegetatieve zenuwstelsel uit twee systemen bestaat. Het vegetatieve zenuwstelsel is dat deel van het zenuwstelsel dat ons in staat stelt te overleven en zorgt voor het hebben van gerichte aandacht. De delen zijn het orthosympatisch zenuwstelsel en het parasympatisch zenuwstelsel. De orthosympaticus zorgt ervoor dat we in actie komen (het gaspedaal) en de parasympaticus (de rem) zorgt voor herstel na een inspanning.  Als er gevaar dreigt, of wanneer je denkt dat er gevaar dreigt, komt het orthosymaptisch deel in actie. Dit deel maakt dat je kunt vechten of vluchten, en als je niet kunt besluiten wat het meest handig is om te doen bevries je. Je blokkeert. Het is een autonoom proces dat onbewust plaatsvindt. Je denkt er niet over na.

Porges gaat ervan uit dat het vegetatieve zenuwstelsel niet uit twee, maar uit drie subsystemen bestaat, waarbij ieder systeem op zijn eigen wijze reageert als er gevaar is. Deze drie delen zijn evolutionair ontstaan en treden na elkaar in werking.

De systemen van Porges

1   Het jongste systeem wordt ook het sociale deel genoemd. Dit systeem controleert voortdurend of het veilig is. Bijvoorbeeld een blik in iemands ogen, de sfeer in de groep, een vriendelijke aanraking. Zolang het veilig voelt, kun je functioneren, je ontwikkelen, plezier hebben, gezond zijn. Dit deel van het zenuwstelsel stelt de andere delen gerust of zet aan tot actie als er gevaar dreigt.2   Het middelste deel, het sympathische deel, wordt ingeschakeld als het sociale deel dreiging ervaart. Dit deel brengt het lijf in opperste staat van paraatheid en zorgt ervoor dat je kunt ‘vechten of vluchten’. De spieren spannen aan, de hartslag verhoogt en je gaat sneller ademhalen. Als er in deze fase ontlading komt door boos te worden, verdrietig te zijn, gehoord te worden of door weg te gaan uit de situatie, ontspant dit systeem. Je hebt actie ondernomen, kunnen vertellen of laten zien wat je dwarszit. De emotie kan verwerkt worden. Je keert weer terug naar je veiligheid. Je keert terug naar fase 1: het sociale deel.

3   Het oudste systeem komt in actie wanneer de dreiging voortduurt, je geen weg weet met je emoties of als er te veel gebeurt wat verwarrend is. Dan blokkeer je, je ‘bevriest’. Porges noemt deze fase ‘immobilisatie’, omdat je ook kunt verlammen. Dan verslappen de spieren. Bevriezen doet vaak denken aan een verstijving van de spieren, maar dat hoeft niet zo te zijn. Bevriezen duidt op een verstarring vanbinnen. Je blokkeert en kunt niets meer.

Wat de polyvagaal-theorie duidelijk maakt, is dat alles draait om het gevoel van fysieke veiligheid. Voordat je kunt verwerken, en voordat je tot een oplossing kunt komen, moet je sociale systeem weer geactiveerd zijn. Dat kan alleen als het om je heen en in jezelf veilig voelt.

Vertragen

Het brein en het lijf werken razendsnel als er gevaar wordt gedetecteerd. In een mum van tijd zorgen ze voor bescherming. Het lijf is hierbij sneller dan het brein. Voordat je erbij hebt nagedacht, sta je in de vecht/vlucht-stand. Je spieren zijn aangespannen. Je schouders heb je opgetrokken, je hartslag is verhoogd en je oren zijn gespitst. De beschermings - en overlevingsreflexen zijn geactiveerd. Elke vezel in je lijf staat gespannen om te kunnen vechten of vluchten. Als er geen uitweg wordt gevonden om met het gevaar om te gaan, zal het lichaam ‘bevriezen’ en blokkeren.

Het bijzondere is dat het lijf razendsnel in de bescherming kan schieten, terwijl het veel langer duurt voordat het zijn veiligheid weer hervonden heeft. Lang nadat het daadwerkelijke gevaar geweken is, voelt je lijf nog de reacties. Dat kan verwarrende situaties opleveren. Zeker voor het kind en de jongere. Zijn brein, het denken, wil wel. Alleen: zijn lijf blokkeert en er komt niets uit zijn handen. In sommige gevallen gaat dit heel ver. Dan vertelt het kritisch comité van het kind, gezeteld in het middenbrein, dat het door moet zetten en niet moet zeuren.  Deze kinderen ploeteren en putten zichzelf helemaal uit.

Wat kun je dan wel?

Vertraag. Laat het lijf voelen dat het weer veilig is. Raak aan, masseer, beweeg. Passief of heel licht actief. Laat het brein via de huid en zijn sensorische innervatie voelen dat het sein op veilig kan. Laat het kind via bewegen weer ervaren hoe het is om rust te voelen in zijn lijf en geef het kind de tijd. Pas dan ontstaat er ontspanning en vertrouwen en kan dat wat geblokkeerd is weer gaan stromen.

Praten is daarbij niet nodig, het lichaam vertelt wat het nodig heeft.

Carla van Wensen Kind in evenwicht ®

www.carlavanwensen.nl

#reflexintegratie #tactieleintegratie #Masgutovamethode #Kindinevenwicht #kinderbreinen bewegen #deIkfabriek #Prachtiglastig